HerkomstWaarschijnlijk via Oudfrans estrope van Latijn stroppus/stropus. In de betekenis van ‘strik’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
- lus van stevig touw, bedoeld om iemand mee op te hangen of om bij het stropen dieren te vangen
“De strop is later vervangen door de elektrische stoel en de dodelijke injectie.”
- figurativelyiets wat tot groot verlies leidt, bijv. in de zakelijke wereld; tegenslag
“Daar had hij een grote strop aan.”
“Een financiële strop.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stroppen
- form-ofgebiedende wijs van stroppen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stroppen
Vormenstroppen(plural) · stropje(diminutive, singular) · stropjes(diminutive, plural)