/taːrt/
OriginVan Oudfrans torte of tarte. Dat lijkt op zijn beurt afkomstig van Latijn torta "gedraaid baksel", de vrouwelijke vorm van het voltooid deelwoord van torquere "draaien". Mogelijk is er ook een verband met tortula "klein wit broodje". De huidige woordvorm met -a- is mogelijk ook beïnvloed door het Frans tartre "wijnsteen".
- meestal cirkelvormig zoet gebak, vooral voor feestelijke gelegenheden, gemaakt van deeg en afgewerkt met bijvoorbeeld slagroom, vruchten of marsepein
“Een taart wordt vaak een stuk feestelijker als je hem met een bovenlaag afwerkt.”
- meestal cirkelvormig hartig gebak van bladerdeeg gevuld met groente, zuivelproducten en soms ook stukjes vlees
“Rol het deeg uit en bekleed hiermee de ingevette vorm. Schep de gesmoorde prei in de vorm. Verkruimel hierover de roquefort en de walnoten. Klop de eieren los met de crème fraîche, zout, peper en wat ”
- figurativelydiagram waarin een verdeling wordt voorgesteld door segmenten van een schijf
“Geef nu met dikke lijnen aan, hoe groot het deel van de taart is dat je aan je werk besteedt in een gemiddelde werkweek (je vakantieweken laat je buiten beschouwing).”
Formstaarten(plural) · taartje(diminutive, singular) · taartjes(diminutive, plural)