taˈly(t)
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘helling van aardwerken’ voor het eerst aangetroffen in 1658
- het schuine vlak langs een weg, spoor, watergang of van een dijk
“Ik volg de slang naar het talud ter zijde van de weg. Hij kruipt via de brandweerwagen omhoog tegen de dijk; ze pompen water uit zee om de laatste resten van mijn vader van het asfalt te spoelen.”
“Wat we het vaakst samen deden, was op zoek gaan naar nieuwe plekken, of teruggaan naar een plekje dat we al hadden ontdekt. Dat kon een grote, oude eik zijn met een holle ruimte in de stam; een kolk i”
“‘De bruggen worden onderaan en bovenaan aangepakt: de pijlers en de landhoofden, maar ook de taluds en de waterslikkers krijgen een onderhoud. Van een aantal bruggen worden ook de voegen, de waterdich”
Vormentaluds(plural) · taludje(diminutive, singular) · taludjes(diminutive, plural)