Herkomstafgeleid van taan met het achtervoegsel -ig
- de kleur van taan hebbend (geel of bruin)
- mager maar toch sterk
“Zij grossierde niet bepaald in vormen. Met haar benige, tanige en uitgemergelde gestalte was zij meer iemand van duidelijke en consequente lijnen. Maar zij was in haar etherische hardheid onmiskenbaar”
Vormentaniger(uninflected, comparative) · tanigst(uninflected, superlative) · tanige(inflected, positive) · tanigere(inflected, comparative) · tanigste(inflected, superlative) · tanigs(partitive, positive) · tanigers(partitive, comparative)