ˈtedər
Herkomstvan Middelnederlands teder, in de betekenis van ‘zacht’ voor het eerst aangetroffen in 1287
- zacht, delicaat, liefdevol
“Oh, wat heb ik toch een tedere kinderen, sprak de vader vertederd”
“Kijk nu eens naar haar mond en stel je een ogenblik voor dat je onze Albert bent. Van die mond had hij warme, tedere kussen gekregen, die zijn buik optilden tot hij op springen stond, hij had haar spe”
Vormentederder(uninflected, comparative) · tederst(uninflected, superlative) · tedere(inflected, positive) · tederdere(inflected, comparative) · tederste(inflected, superlative) · teders(partitive, positive) · tederders(partitive, comparative)