ˈteɣə(n), /teːχən/, /teːɣən/
HerkomstIn de betekenis van ‘in de andere richting, ten aanzien van’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1284.
- zijdelings aanleunend
“De fiets staat tegen de deur.”
- oneens met, ter bestrijding van
“Er is geen middel tegen deze ziekte.”
“Het raadslid stemde tegen het voorstel.”
- voor of omstreeks een bepaalde tijd
“We gingen tegen de ochtend naar huis.”
“Het liep tegen zevenen toen hij binnenkwam.”
“Tegen de tijd dat hij het doorkreeg, was alles al verloren.”
- de ontvangende persoon van een boodschap: aan
“Ik heb het tegen je gezegd.”
“"Dat wordt straks wel even wennen", zegt machinist Jos van der Veen tegen RTV Noord. Hij had gisteravond zijn laatste rit naar het "oude hoofdstation"". "Ik vind het mooi om een stukje spoorweggeschie”
“"De beste manier om riffen te beschermen is het stoppen van de klimaatverandering", zegt koraaldeskundige Mark Eakin tegen persbureau AP. "Dat betekent dat we de uitstoot door het verbranden van fossi”
- voor de prijs van
“Ik ruilde met de buurjongen tien knikkers tegen een bal.”
- oneens, negatief
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
- negatief argument of negatieve kant
“Het tegen kreeg meer aandacht dan het voor.”