ˈtekə(n)
HerkomstIn de betekenis van ‘blijk, merk’ aangetroffen vanaf 901
- symbool, signaal, aanduiding
“Dat prachtige wegennet is een teken van aanzienlijke welvaart.”
“Bij het doorbladeren van het boek valt Nella's blik op een advertentie onder de letter M: MINIATUURMAKER Gevestigd aan de Kalverstraat, onder het teken van de zon.”
“Ik wil graag van u: Een luit met snaren Een bruidsbeker, gevuld met confetti Een doosje marsepein Bij voorbaat dank, Petronella Brandt, wonende bij het teken van de dolfijn, Herengracht Nu ze naar haa”
- een afgesproken gebaar
“Eindelijk kreeg hij het teken om van start te gaan.”
- de genormeerde figuren van het alfabet, muziekschrift, cijfers, operatoren enz.
“Een karakterset met allerlei tekens.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord teek
- Ixodida een orde van geleedpotige parasieten die behoren tot de klasse der spinachtigen. Samen met de mijten vormen zij de onderklasse der Acari. Teken zijn nauw verwant aan mijten, maar de precieze relatie is onduidelijk
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tekenen
- form-ofgebiedende wijs van tekenen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tekenen
Vormentekens(plural) · (tekenen) *(plural) · tekentje(diminutive, singular) · tekentjes(diminutive, plural)