cɛ̃, tins
Herkomst[tussenwerpsel] van Frans tiens
- uitroep die verbazing uitdrukt
“Op een zondagmiddag maakt een man met enkele vrienden een uitstapje naar zee. Ze zijn afkomstig uit een ingeslapen provinciestadje ergens in Frans-Vlaanderen. Op een bepaald moment constateert de man:”
- obsoleteperiodieke betaling aan de eigenaar om roerende of onroerende zaken te mogen gebruiken
“De boeren die dan 'thuys verblijven om te saeyen,
Betalen hem den tiens van allen 'tgeen sy maeyen.”