ˈtɑjmə(n)
Herkomst[1] van Engels time ww
- transitiveeen tijdstip of de tijdsduur van een bezigheid bewust kiezen
“Ik heb goud hoog op mijn lijstje staan als beleggingsverrassing voor dit jaar, maar het is vooralsnog lastig te timen. Ik verwacht dat er ergens dit jaar een instapmoment komt.”
“Ik had story-boards, maar bij elke achtervolging moet je uitmeten of een straat lang genoeg is voor een muziekfragment en waar je het obstakel neerzet, zodat Baby precies remt waar de gitaarsolo inzet”
- transitiveeen tijdstip of tijdsduur precies vaststellen met een nauwkeurig uurwerk
“Een bevallende vrouw die zich alleen voelt en zelf taken als weeën timen op zich neemt zal zich minder gemakkelijk overgeven aan de bevalling.”
Vormentimede(past) · getimed(past, participle) · te timen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen timen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen timen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben getimed(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben getimed(active, infinitive, perfect, present, long-form) · getimed zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · getimed te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · timend(imperfect, participle) · ev.
time(imperative) · time(subjunctive) · time(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · timet(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · timet(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · timede(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · timede(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · timede(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · timeden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · timeden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)