ˈtitəl
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘opschrift, naam’ voor het eerst aangetroffen in 1291
- opschrift van een boek of ander document
“De titel van dit boek is 'Scheikunde voor de leek'.”
“'Wat betekent dat "niets" volgens u? Is dat de titel van een schilderij?' 'Het lijkt me simpeler dan dat'.”
“Eén boek valt nu in het oog: Kinderziekten van Stephanus Blankaart, en ze staat er zelf van te kijken dat ze niet over die titel heeft nagedacht toen ze hier de vorige keer was.”
- academische, adellijke of sportieve aanduiding van een persoon
“Hem werd de titel van 'doctor' verleend.”
“'Ik dacht dat iedereen een titel had ' Ik stopte, bang dat ik te veel had gezegd.”
- juridische grond voor de overdracht van een goed
“Men kan goederen onder algemene en onder bijzondere titel verkrijgen. (3:80 BW)”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van titelen
- form-ofgebiedende wijs van titelen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van titelen
Vormentitels(plural) · titeltje(diminutive, singular) · titeltjes(diminutive, plural)