tɔxt
Originvan Middelnederlands tocht "het trekken"
- meestal ongewenste bewegende koude lucht binnen in een ruimte, als gevolg van openingen naar buiten
“Er is binnen veel tocht.”
- activiteit waarbij men naar een of meer bestemmingen gaat
“Ze namen Sint mee om de oude man dadelijk te verzorgen. Maar Pietje ging met het kruikje naar het paard. En al was hij doodmoe van de tocht, in drie dagen en nachten sliep hij niet om het paard ieder ”
“Waarom had ik geen donder gehoord of bliksem gezien tijdens mijn tocht omhoog? Wat had ik nu spijt van het plan om de zonsondergang en zonsopkomst vanaf de top te willen gaan bekijken.”
- soort watergang
“⧖ Aan de voorzijde zijn deze gelegen aan een verharden weg, aan de achterzijde aan een tocht, welke echter hier niet' meer bevaarbaar is.”
- form-ofonpersoonlijke tegenwoordige tijd van tochten
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van tochten
- form-ofgebiedende wijs van tochten
Formstochten(plural) · tochtje(diminutive, singular) · tochtjes(diminutive, plural)