ˈtɔnɪk
OriginLeenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘spuitwater’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1955
- soort kleurloze, licht bittere, koolzuurhoudende frisdrank
“Je riep de kelner en vroeg wat hij drinken wilde. Hij wilde tonic. Hij kon geen drank meer zien, zei hij.”
- glas of blikje met bepaalde kleurloze, licht bittere, koolzuurhoudende frisdrank
“Hij keek kritisch toe bij het werk van zijn broer, die een tonic pakte uit een bak achter de tapkast.”
- vloeistof bestemd om de huid te reinigen voor het aanbrengen van dagcrème
“Dermo Purifyer is een nieuwe serie om een huidprobleem te verhelpen waarvan vooral pubers last hebben: een onzuivere huid met puistjes, ofwel acne. (…) Dermo Purifyer is niet minder dan een lijn en be”
Formstonics(plural) · tonicje(diminutive, singular) · tonicjes(diminutive, plural)