/tɔːrə(n)/
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘hoog bouwwerk’ voor het eerst aangetroffen in 1201
- een smal hoog bouwwerk
- een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van torenen
- form-ofgebiedende wijs van torenen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van torenen
Vormentorens(plural) · torentje(diminutive, singular) · torentjes(diminutive, plural)