/traːx/
HerkomstIn de betekenis van ‘langzaam’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- met geringe snelheid
“Een trage beweging”
“Piraterij en avontuur, terwijl Frans en Maren achterbleven tussen mahoniehouten meubels en verstikkende wandtapijten, traag stromende grachten en beierende klokken die hen naar de kerk riepen.”
“Wanneer we dichterbij komen, komt hij traag overeind en gaat opzij, waarbij hij met zijn achterlijf over de gladgesleten kinderkopjes schuift.”
- figurativelyniet snel reagerend
“Albert Maillard. Hij was een slanke jongen met een enigszins traag, bescheiden karakter.”
Vormentrager(uninflected, comparative) · traagst(uninflected, superlative) · trage(inflected, positive) · tragere(inflected, comparative) · traagste(inflected, superlative) · traags(partitive, positive) · tragers(partitive, comparative)