truf
OriginLeenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘kaart die andere kaarten slaat’ voor het eerst aangetroffen in 1508
- een kaart van een kleur die hogere waarde heeft dan andere kleuren
“Samen hadden zijn acht van de dertien troeven in handen.”
- figurativelyeen verborgen voordeel
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van troeven
- form-ofgebiedende wijs van troeven
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van troeven
Formstroeven(plural) · troefje(diminutive, singular) · troefjes(diminutive, plural)