trup
Originvan Frans troupe, in de betekenis van ‘menigte, bende’ voor het eerst aangetroffen in 1583
- vele waardeloze spullen door elkaar
“Wat een troep is het hier!”
“Dan raapten we alle papiertjes en troep van de grond op om zo geen enkel spoor achter te laten.”
- groep levende wezens
- militairen, manschappen
“Hij viel met een troep van zo'n honderd soldaten op paarden dorpen binnen.”
“De Spaanse troepen verschansten zich in de stad.”
- groep dieren
“Een troep verwilderde honden zwierf rond op straat.”
“In het bos is een troep van vijf of zes wolven waargenomen.”
“Grote troepen eenden en ganzen trokken over.”
- ongeordende groep mensen
“Een troep gillende kinderen rende voorbij.”
Formstroepen(plural) · troepje(diminutive, singular) · troepjes(diminutive, plural)