vart
Herkomsterfwoord via Middelnederlands vaert / vart van Oudnederlands farth, Naamwoord van handeling van varen (met het achtervoegsel -t), in de betekenissen ‘snelheid’ en ‘reis, tocht’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw
- voortgang
“Er komt niet echt vaart in die plannen.”
- opgebouwde snelheid
“Bij een winkeltje mindert Daniel vaart en vraagt of ik iets wil eten of drinken.”
“Juist als zijn hoepel enige vaart gekregen had, moest hij stilhouden en omkeren.”
“De auto vloog met grote vaart de bocht uit.”
- kanaal, bevaarbaar gemaakte watergang
“Er was een vaart langs het pad gegraven, waarin geen water stond.”
“Deze vaart verbindt het dorp met de stad.”
- het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
“Hij zit op de grote vaart.”
- reis, tocht
- form-oftweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van varen
- form-ofderde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van varen
- form-of, obsoletegebiedende wijs meervoud van varen
Vormenvaarten(plural) · vaartje(diminutive, singular) · vaartjes(diminutive, plural)