ˈvarə(n)
Herkomsterfwoord, via Middelnederlands varen van Oudnederlands faran, in de betekenis van ‘over water gaan (in of van een vaartuig)’ voor het eerst aangetroffen in 901
- zich in een vaartuig voortbewegen
“Het schip vaart de haven uit.”
“'Door dat mens van Jans varen er tegenwoordig niet veel dames meer mee, en dat is maar goed ook,' had Nella's vader ooit opgemerkt.”
“Was hun koning, Willem de Veroveraar, niet tijdens een geweldige storm, dankzij de heilige Nicolaas, veilig van Normandië naar Engeland gevaren? Want Nicolaas was in staat de wind en de onstuimige kra”
- obsoletezich voortbewegen
“Hij voer ten hemel.”
“Jan, Jan, Dubbele Jan, waar zijde gij heen gevaren?”
- obsoletegezegd van iemands gesteldheid in het algemeen
“Hoe vaart gij nu, mijn kind?”
“Daarnaast varen oudere kinderen intellectueel wel bij het onderwijzen en begeleiden van hun jongere broers of zussen, terwijl hun jongere broertjes of zusjes, juist door die begeleiding, minder worden”
- Limburgautorijden
- impersonal, obsoleteonwennig voorkomen, niet meevallen
“Het vaarde hem al te zeer; de eerste, dikke waterstraal uit de bronne was uitgeloopen, en weinig versch water uit den schoot der aarde kwam toe om haar te voeden.”
- benaming voor sporenplanten die de afdeling Pteridophyta vormen
“De grond in het bos was bedekt met prachtige varens.”
Vormenvoer ww(past) · (vaarde) *(past) · gevaren ww(past, participle) · vaarde(past) · gevaard(past, participle)