- absoluteschokken opvangen
“Mijn voorvork veerde op een gegeven moment niet meer, die moet dus op wat kortere termijn vervangen worden.”
- met veren (lichaamsbedekking van een vogel) vervaardigd
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord veer
“Isaac trok een kip uit de tas, haar losse veren dwarrelden op de grond en haar schilferige poten bungelden grappig in de lucht.”
“Pibo heeft uit angst zijn veren opgezet.”
Formsveerde(past) · geveerd(past, participle) · te veren(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen veren(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen veren(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben geveerd(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben geveerd(active, infinitive, perfect, present, long-form) · geveerd zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · geveerd te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · verend(imperfect, participle) · ev.
veer(imperative) · vere(subjunctive) · veer(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · veert(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · veert(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · veerde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · veerde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · veerde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · veerden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · veerden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)