viˈjol
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘snaarinstrument’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1555
- viersnarig strijkinstrument
“De viool, altviool, cello en contrabas zijn strijkinstrumenten.”
“Mijn viool moet gestemd worden.”
- katrol/blok met twee boven elkaar geplaatste schijven van verschillende grootte, waardoor de vorm wat op het onder 1 genoemde instrument lijkt
- vernaculardeel van onderlijf met de uitgang van de darmen
- benaming voor uit het geslacht Viola, laaggroeiend plantjes met vaak driekleurige bloemen
Vormenviolen(plural) · viooltje(diminutive, singular) · viooltjes(diminutive, plural) · (viool)(singular) · (violen)(plural)