/virəs/
Herkomstvan Latijn virus, in de betekenis van ‘ziekteverwekker’ voor het eerst aangetroffen in 1663
- ziekteverwekker die veel kleiner is dan een bacterie
“Hij heeft een virus te pakken gekregen.”
- klein en gevaarlijk softwareprogramma dat zichzelf gemakkelijk van de ene naar de andere computer verspreidt en de besturing daarvan gedeeltelijk of geheel overneemt
“Het virus op mijn computer dat mijn systeem steeds doet crashen heet Windows-98”
Vormenvirussen(plural) · virusje(diminutive, singular) · virusjes(diminutive, plural)