vles
Herkomsterfwoord via Middelnederlands vleesc en Oudnederlands flesk, in de betekenis van ‘spierweefsel’ aangetroffen vanaf 901
- spierweefsel van bepaalde organen
- spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
“Een vegetariër eet geen vlees.”
“Eigenlijk had Nella gehoopt op geurige bijenwas, en ze is verbaasd dat ze hier hebben gekozen voor deze walmende soort, die naar vlees ruikt.”
“De zwart verkoolde buitenkant omhulde zacht, wit vlees.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlezen
- form-ofgebiedende wijs van vlezen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlezen
Vormenvlezen(plural) · vleesje(diminutive, singular) · vleesjes(diminutive, plural)