vluk
- bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
“Er lijkt een vloek te rusten op dat verlaten huis.”
“Dit team rekent af met de vloek die jarenlang over Oranje's penalty's hing.”
- godslasterende uiting als iemand schrikt, zich bezeert of heel ontevreden is
“In de andere kamer hoorde hij een hoop gehijg, gestommel en af een toe een vloek.”
“Ik slaakte een knetterende vloek.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vloeken
- form-ofgebiedende wijs van vloeken
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vloeken
Vormenvloeken(plural) · vloekje(diminutive, singular) · vloekjes(diminutive, plural)