ˈvwalə
Originvan Frans voile, in de betekenis van ‘sluier’ aangetroffen vanaf 1689
- korte wijdmazige, van een dameshoed afhangende, sluier
“Terwijl zij met een vermoeid gebaar een kam uit haar handtasje tevoorschijn haalde, sprak zij: ,,Complimenten van mgn man, meneer Heymans, en of u voor mij maar iets koketterigs met een voile wilt mak”
- no-pluralweefsel van fijne stof in effenbinding, dat door wijde mazen wat doorzichtig is
“Ook het „alternatieve" gordijn is er gekomen. Grove materialen, zgn. „open weave" in paars, bruin, oranje, beige en groen wijzen erop, dat niet de vitrage aan het verdwijnen is, maar het overgordijn. ”
Formsvoiles(plural) · voiletje(diminutive, singular) · voiletjes(diminutive, plural)