/voːrt/
OriginIn de betekenis van ‘bijwoord van richting: vooruit’ voor het eerst aangetroffen in 901
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: verder gaan met een handeling, in richting naar voren gaand
“Er stonden drie kruisen op Golgotha,
Maar de boer hij ploegde voort.”
“Ondertussen woedde de storm onverminderd voort.”