/vɔrst/
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bos, woud’ voor het eerst aangetroffen in 856
- heersend edelman, bijvoorbeeld een koning, monarch of keizer
“In de zestiende en zeventiende eeuw had de vorst alle macht in handen en liet zich niets gelegen liggen aan regels of wetten.”
“Een ander belangrijk aspect van de groeiende sportcultuur was het ontstaan van een gespecialiseerde klasse van trainers en instructeurs, die de vorst en zijn gevolg onderrichtten en begeleidden.”
“De vorst werd tot aftreden gedwongen.”
- weersomstandigheden waarbij water in ijs verandert
“Er wordt tien graden vorst voorspeld.”
- nok van een dak, bovenste rij pannen van een dak
- bos, woud
- form-oftweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vorsen
- form-ofderde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vorsen
- form-of, obsoletegebiedende wijs meervoud van vorsen
- toponymicgemeente in het zuidwesten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Vormenvorsten(singular) · vorstje(diminutive, first-person) · vorstjes(diminutive, singular) · vorstje(diminutive, second-person)