vrɑu
OriginIn de betekenis van ‘voorname vrouw, dame’ voor het eerst aangetroffen in 1151.
- volwassen mens van het vrouwelijk geslacht
“De vrouw schrok. 'Wat doèn jullie hier?'”
“Hier was het nog lastiger omdat er twee mensen naast mij lagen, waarvan één tot overmaat van ramp de enige aanwezige vrouw was.”
- vrouwelijke partner in een blijvende relatie
“Op het feest werd ik aan zijn vrouw voorgesteld.”
- obsoleteiemand van het vrouwelijk geslacht met veel aanzien, met een hoge maatschappelijke stand (bijv. van adel)
- speelkaart waarop een vrouwelijke figuur (vaak een koningin) staat afgebeeld
Formsvrouwen(plural) · vrouwtje(diminutive, singular) · vrouwtjes(diminutive, plural)