/ˈʋaːpən/
HerkomstIn de betekenis van ‘strijdwerktuig’ voor het eerst aangetroffen in 1237
- een werktuig van geweld
“Bij de inval werd een vuurwapen gevonden. Mogelijk is dat het wapen waarmee de moorden zijn gepleegd. Tussen 21 december en 2 januari werden drie oudere mannen doodgeschoten. Het gaat om mannen van 63”
“Ik vroeg me af of hij een wapen droeg.”
“Het was een taal die ze moest leren, zich eigen moest maken, als een wapen moest kunnen hanteren.”
- een wapenschild
- een onderscheidingsteken van een familie
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wapenen
- form-ofgebiedende wijs van wapenen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wapenen
“Wapen je?”
“In Nederland is het warm, maar in Frankrijk en Spanje is het warmer, warmst. De hittegolven slaan toe in Zuid-Europa en toeristen puffen en zweten erop los. Hoe wapen je je onderweg naar je vakantiebe”
Vormenwapens(plural) · wapenen(plural) · wapentje(diminutive, singular) · wapentjes(diminutive, plural)