/ˈʋaːtər/
HerkomstIn de betekenis van ‘vloeistof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
- vloeistof die zelf helder is, zonder geur of smaak, maar waar veel andere stoffen gemakkelijk in opgaan
“Het water gaat er anders dan voorheen.”
- gebruikt als drank
“Het water gaat er anders dan voorheen.”
“Gijs dacht dat het een storm in een glas water was en dus besloten we er niet te veel aandacht aan te geven.”
“Een mens kan geen dag overleven zonder water.”
- vloeistof waarv#an de moleculen bestaan uit één atoom zuurstof en twee atomen waterstof (H₂O)
“Het water gaat er anders dan voorheen.”
“Vaak wordt water gebruikt als oplosmiddel.”
- regenwater; veel voorkomende neerslag
“Er viel zodanig veel water op korte tijd dat de riolen het niet meer aankonden.”
- stuk zee dat aan (g)een bepaald land toebehoort
“We bevinden ons nu in internationale wateren.”
- natuurlijke bedding waarin zich water bevindt
“Of van een kennis die jou met je kop vol xtc van een brug had geplukt, klaar om in het water te springen.”
“Ik steek mijn teen in het frisse water voor me.”
- vloeistof in het lichaam (m.n. urine)
- doorzichtigheid of helderheid van een diamant
- golvende weerschijn van geweven stoffen
- obligatie zonder onderpand; leeg aandeel
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wateren
- form-ofgebiedende wijs van wateren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wateren
Vormenwaters(singular) · wateren(singular) · watertje(diminutive) · watertjes(diminutive, singular)