/ˈʋeː.tə(n)/
Herkomsterfwoord, in de betekenis van ‘kennis hebben, begrijpen’ aangetroffen vanaf 901
- ergens kennis van hebben
“Hoe kun je dat nou weten als die stof nog nooit behandeld is?”
“Want het was goed hier, om niet te zeggen perfect, en ik zag geen reden waarom ik hier niet net zo lang zou kunnen blijven tot ik wist waar ik naartoe moest gaan.”
- ~ te: erin slagen
“Hij wist zijn vader zover te krijgen hem dat geld te geven.”
“Heffingen maakten Chinese auto's niet duurder:Afgelopen zomer voerde de EU nog heffingen in om de Europese auto-industrie te beschermen tegen de veel goedkopere auto's uit China. Maar volgens brancheo”
- te weten te komen: iets ontdekken
“De spion probeerde te weten te komen waar de atoomwapens lagen.”
- beseffen
“Als je dat maar weet!”
“Er is immers geen sprake van verlies, echtscheiding of overlijden en verder weten we allebei dat we elkaar na een x aantal maanden weer zullen zien.”
- laat weten: zeggen wat men vindt van iets
“De VU laat aan de NOS weten te waarderen dat het werkveld erg betrokken is. "De realiteit blijft echter dat de afdeling Aardwetenschappen langdurig te maken heeft met structurele financiële tekorten, ”
“De ANVR laat in een reactie weten teleurgesteld te zijn en overweegt een hoger beroep.”
- form-ofmeervoud verleden tijd van wijten
“Wij weten.”
“Jullie weten.”
“Zij weten.”
Vormenwist(past) · geweten(past, participle) · te weten(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen weten(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen weten(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben geweten(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben geweten(active, infinitive, perfect, present, long-form) · geweten zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · geweten te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · wetend(imperfect, participle) · ev.
weet(imperative) · wete(subjunctive) · weet(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · weet(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · weet(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · wist(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · wist(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · wist(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · wisten(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · wisten(indicative, imperfect, past, plural, second-person)