/ʋoːrt/, /ˈʋʊːrt/, /ˈwoːrt/
HerkomstIn de betekenis van ‘taalkundig betekenisvolle klankencombinatie’ voor het eerst aangetroffen in 776
- mannetjeseend
“De mannelijke wilde eend, de woord, kenmerkt zich door de glanzende groene kop en het grijze en bruine lijf.”
- spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
“In het woordenboek vindt men de betekenis van een woord.”
“Net als zij zei hij geen woord.”
“'Is dit echt?' vroeg Olive fluisterend, maar toen kon ze geen woord meer uitbrengen.”
- belofte
“De koning kwam zijn belofte na en hield woord.”
“Ze kon 's nachts niet slapen, zich afvragend wat er zou gebeuren als de mensen Jorge op zijn woord zouden gaan geloven.”
- het woord van God, Jezus Christus, of de inhoud van de bijbel
“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. (Johannes 1:1-18).”
- de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
- de manier om iets uit te spreken
- in de orthografie een rij schrifttekens die door spaties of leestekens worden afgegrensd
- taaluiting in het algemeen
“‘Storm? Vannacht? Nee, maak je geen zorgen.’ Na deze geruststellende woorden trokken we ons ieder terug in onze eigen tent.”
- het geschreven woord: een geschreven of gedrukte tekst
“Blijkbaar vond ze - net als ik - het geschreven woord een gemakkelijker manier om de wereld te begrijpen.”
Vormenwoorden(plural) · woordje(diminutive, singular) · woordjes(diminutive, plural)