ˈzaɣə(n), /ˈza.χə(n)/, /ˈza.ɣə(n)/
- transitivein stukken delen door middel van een zaag
“Ik moet nog wat hout zagen.”
- unergativeop vervelende wijze spreken, zeuren
“Klagen en zagen, het is voor hem dagelijkse kost.”
- form-ofmeervoud verleden tijd van zien
“Wij zagen.”
“Jullie zagen.”
“Zij zagen.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord zaag
Vormenzaagde(past) · gezaagd(past, participle) · te zagen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen zagen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen zagen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gezaagd(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gezaagd(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gezaagd zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gezaagd te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · zagend(imperfect, participle) · ev.
zaag(imperative) · zage(subjunctive) · zaag(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · zaagt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · zaagt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · zaagde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · zaagde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · zaagde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · zaagden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · zaagden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)