form-ofverkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord zak
“In de rugzak zijn fotocamera, een thermosfles met kruidenthee, een zakje beukennootjes en vogelmuur: een plant met reinigende werking die heerlijk smaakt in salades en soepen.”
“Er zit ook een minuscuul zakje met schijfjes bij.”