ˈzeɣə(n), /ˈzeːχə(n)/, /ˈzeːɣə(n)/
- verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand
“Er rustte een zegen op zijn gehele huis.”
- afroeping van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand over iemand, met name door een lid van de geestelijkheid
“De voorganger eindigde de dienst met het uitspreken van de zegen.”
“Belangenorganisatie COC zegt dat ook de regenbooggemeenschap waardering had voor hem, omdat hij homoseksualiteit en transgender personen een stuk minder veroordeelde dan zijn voorgangers. "Hij sprak g”
- voordeel of gelukkige omstandigheid die als goddelijke of bovennatuurlijke bijstand wordt opgevat
“Dat je weer op de been bent is echt een zegen!”
“Veel heil en zegen! (nieuwjaarswens).”
- instemming van een persoon of instantie wiens daadwerkelijke of morele steun belangrijk is
“Veel belangrijker nog, ik had de tocht niet kunnen lopen zonder haar zegen en support en ben eeuwig dankbaar voor de vrijheid die ze mij gaf.”
- breed en naar verhouding niet erg hoog sleepnet Vistuig bestaande uit een van drijvers voorziene bovenpees en een verzwaarde onderpees met daartussen het netwerk met een, al dan niet van een inkeling voorziene uitstulping of zak en waarvan de aan de boven- en onderpees bevestigde lijnen een lengte v…
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord zeeg
- form-ofmeervoud verleden tijd van zijgen
“Wij zegen.”
“Jullie zegen.”
“Zij zegen.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegenen
- form-ofgebiedende wijs van zegenen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegenen
Vormenzegens(singular) · zegentje(diminutive) · zegentjes(diminutive, singular) · [A] zegen(canonical) · [B](canonical)