ˈzeməl
- huls en kiem van een graankorrel die bij het malen daarvan worden afgescheiden en fijngemaakt
“Granen bestaan uit zetmeel met daaromheen een vliesje, de zemel, en een kiem met voedingsstoffen.”
- figurativelyiets of iemand die minderwaardig wordt gevonden
“Juffrouw Van Toossen was een dom stuk zemel.”
- iemand die veel klaagt of praat over onbelangrijke dingen
“Het is en blijft hier op aarde een gebroken kerk, met ruzies en conflicten. (…) Vooral als er narigheid in de gemeente is. Dat moet Spurgeon toch ook wel 's gehad hebben, dat hij tegen zijn vrouw zei:”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zemelen
- form-ofgebiedende wijs van zemelen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zemelen
“Zemel je?”
“Maar Allah weet of je daar misschien helemaal niet naar streeft, dus ik zemel maar wat.”
Vormenzemelen(singular) · zemels(singular) · zemeltje(diminutive) · zemeltjes(diminutive, singular) · [B] zemel(canonical)