ˈzetəl
Herkomstvan Middelnederlands setel, in de betekenis van ‘zitplaats’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
- constructie bestemd om prettig op te zitten
- comfortabel bekleed zitmeubel in salon Oorspronkelijke betekenis, in Nederland niet meer gangbaar
“Hij zat onderuit in zijn zetel.”
- plechtige aanduiding voor een zitplaats
“De koning verhief zich van zijn zetel en sprak het gezelschap toe.”
- figurativelylidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
“Deze partij zal wel een paar zeteltjes in moeten leveren bij de verkiezingen.”
- plaats waar een organisatie gevestigd is
“De zetel van het Europese Hof is in Luxemburg.”
- nevenvestiging van een organisatie
“De zetel van het Europese Hof is in Luxemburg.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zetelen
- form-ofgebiedende wijs van zetelen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zetelen
Vormenzetels(plural) · zeteltje(diminutive, singular) · zeteltjes(diminutive, plural)