/ˈzøvən/
- "7", het getal tussen zes en acht
- om een hoeveelheid aan te geven
“De totale kosten bedragen zeven euro en zevenendertig cent.”
“"Een zwarte dag voor de horeca", zegt chef-kok Rik van de Laar over het overlijden van Boer. Hij begon op 16-jarige leeftijd in De Librije, het eerste en bekendste restaurant van Boer, werkte er zeven”
“Dit zou toch niet mijn laatste nacht op aarde worden? Met zeven andere hikers zou ik de nacht in deze piepkleine ruimte van drie bij drie meter moeten doorbrengen.”
- om een plaats in een volgorde aan te geven
“Het juiste antwoord op opgave zeven is "42".”
- het cijfer "7"
“Hij schrijft zo onduidelijk dat ik niet weet of hier een één of een zeven staat.”
- dat wat in een (rang)ordening met 7 is aangeduid
“Het is weer de zeven die het niet doet, kunnen we die niet simpel vervangen?”
“Ze dacht dat ze niets van het examen had begrepen, maar ze haalde toch een zeven.”
- groep van 7 eenheden
“De grote zeven zijn natuurlijk blij met dit beleid, maar alle kleinere bedrijven worden juist benadeeld.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord zeef
- transitivede grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
Vormen[A] zeven(canonical) · [A](canonical) · [B] zeven(canonical)