zɪxt
- de afstand die je kunt kijken door de lucht
“Vanaf het balkon hebben we vrij zicht op het haventerrein.”
- gezichtsvermogen
“Hopelijk kon ik nog wel wat zien, anders was ik behalve mijn spraak ook nog mijn zicht kwijt.”
- in het zicht: dat wat men kan zien, zichtbaar
- uit het zicht: dat wat men niet kan zien, onzichtbaar
“' In de la balde Teresa, uit het zicht van haar mevrouw, haar vuisten om de satijnen hemdjes heen.”
“'we zouden nu wel een foto voor Peggy Guggenheim kunnen maken,' zei Olive toen de auto uit het zicht verdween.”
“Winkeliers moeten extra tijd krijgen om sigaretten en tabakswaar uit het zicht te laten verdwijnen. Regeringspartij VVD wil dat staatssecretaris Blokhuis van Volksgezondheid meer tijd neemt voor dit d”
- figurativelyzicht hebben op: dat wat men kan begrijpen
“Ook kinderen tot elf jaar belanden regelmatig in het ziekenhuis. "Zij beginnen net met fietsen", zegt Baden. "Ze zijn de vaardigheid nog aan het leren, en hebben nog minder zicht op de gevaren van het”
- kleine zeis
“Gras maait men met de zeis, haver met een zicht.”
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van zichten
- form-ofgebiedende wijs van zichten
Vormenzichtje(diminutive, first-person) · zichtjes(diminutive, singular) · zichten(singular) · zichtje(diminutive, second-person)