ˈzɛidə
Herkomst[1] erfwoord via Middelnederlands side zn van Oudnederlands sīda zn , aangetroffen vanaf 1151 (Reimbibel); gaat terug op Oergermaans *sīdōn- ‘flank, uiteinde’, zoals Duits Seite en Engels side, uitbreiding van het bijvoeglijk naamwoord *sīdaz ‘breed, wijd’ (waaruit zijd in ‘wijd en zijd’), dat terug op Proto-Indo-Europees *sh₁i-tó- gaat
- grenslijn van een tweedimensionale figuur of het grensvlak van een lichaam
“De ene zijde is beschreven, de andere is leeg gelaten.”
“Nella ziet haar echtgenoot weer voor zich, zoals hij in de schaduwen van de gang stond, gepekeld door de zee, met zijn geliefde hond Rezeki aan zijn zijde.”
“Nella en Otto wachten, met Thea aan hun zijde.”
- één kant van een conflict of een kant van een groep
“Na een paar jaar had iedereen aan beide zijden het steeds moeilijker zich te herinneren waar die hele oorlog nu eigenlijk om begonnen was”
“De Franse president Macron prijst de paus ook voor zijn inzet voor armen en kwetsbaren. Hij noemt hem een bescheiden man die "altijd aan de zijde van de meest kwetsbaren stond". De Notre-Dame in Parij”
- zeer zachte stof gemaakt van cocons van de zijderups
“Deze rok is van zijde.”
“En kan ik het zelf wel verdragen om terug te gaan, zonder een groeiend kind waarover ik kan opscheppen? Onder mijn jurk van Bengaalse zijde blijft mijn buik plat, en mijn huwelijk is een nietszeggende”
“Ze draagt nog steeds haar kostuum, een rok die net iets verder uitwaaiert en veel meer zijde bevat dan die van de meeste andere vrouwen, met plooien en banen die zo zijn ontworpen dat ze bij elk spran”
Vormenzijden(singular) · zijdes(singular)