ˈzutə, /ˈzu.tə/, /ˈzu.tə/
- form-ofaanvoegende wijs van zoeten
- form-ofverbogen vorm van de stellende trap van zoet
“Ze heeft behoorlijk veel make-up op voor een wandeltocht en ik ruik vanaf hier haar zoete parfum.”
“Om de haverklap stopte ik om de zoete bessen te plukken waardoor mijn handen paars kleurden van hun sap.”