ˈzomər
OriginIn de betekenis van ‘jaargetijde’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236
- jaargetijde tussen lente en herfst
“De hemel van de zomer verjaagt het zuur van de stad, zong Charles Trenet al: 'Wij zijn gelukkig, Route Nationale 7.'”
“In het woestijndorp Agua Dulce, 725 kilometer van de Mexicaanse grens, bleef ik drie nachten logeren in de tuin van de Saufley’s, een familie die al 20 jaar Trail Angels zijn en hun tuin de hele zomer”
Formszomers(plural) · zomertje(diminutive, singular) · zomertjes(diminutive, plural)