zwɑrt
Herkomsterfwoord, via Middelnederlands swart van Oudnederlands swart, in de betekenis van ‘kleur waarbij licht niet wordt teruggekaatst’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1001
Dit woord is te herleiden tot Indo-Europees *suord- of *surd- en cognaat met Duits schwarz, Noors svart, Gotisch 𐍃𐍅𐌰𐍂𐍄𐍃 (swarts) en Latijn sordidus
- kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
“Heeft u die ook in het zwart?”
“Zwart is de kleur van rouw, van de zondeval en van de Satan die zich afkeert van het Licht.”
“Grijs, wit en zwart zijn achromatische kleuren en dat betekent letterlijk dat dit kleuren zijn ‘zonder een echte kleur’.”
- de kleur zwart hebbend
“Hij had een zwart pak aan.”
“Nog zo'n typerende zwart-wit-foto is een groepsportret van een stel muzikanten uit Assen. Samen stonden ze bekend als de Showboot, een soort revuegezelschap waarmee ze langs feestzalen gingen. Harry M”
“De zwart verkoolde buitenkant omhulde zacht, wit vlees.”
- figurativelyeen donker gelaat of uiterlijk hebbend, opgevat als een etnisch kenmerk
“Een seecker Moorjaen komende in't Sticht van Munster, quam voor een Hecke, alwaer hy niet wel door kon, en een Boer daer ontrent wesende, riep hem om het Hecke open te doen: Den Boer desen zwarten Men”
“`Zwarte Piet of 'Pietje Pik', zo noemde het volk in de middeleeuwen de duivel.”
- figurativelysomber, rampspoedig
“Een zwarte dag.”
“Een zwart scenario.”
“"Een zwarte dag voor de horeca", zegt chef-kok Rik van de Laar over het overlijden van Boer. Hij begon op 16-jarige leeftijd in De Librije, het eerste en bekendste restaurant van Boer, werkte er zeven”
- figurativelyclandestien, illegaal
“Zwart geld”
“Zwart werken”
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
“zwartrijden: Hij reed soms zwart.”
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van zwarten
- form-ofgebiedende wijs van zwarten
Vormenzwarten(plural)