OriginIn de betekenis van ‘ontsteking’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
- ontstoken plek, infectie
“Hij heeft een zweer op zijn hand.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zweren
- form-ofgebiedende wijs van zweren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zweren
“Zweer je?”
“Ik zweer het je! Je hebt mijn werk ongedaan gemaakt.”
“'Ik zweer bij de Methode, dat ik alleen de waarheid zal zeggen enzovoort,' zegt Kramer zodra hij zit.”
Formszweren(plural) · zweertje(diminutive, singular) · zweertjes(diminutive, plural)