zwul
Herkomstverwant aan zoel bn , in de betekenis van ‘benauwd’ aangetroffen vanaf 1611
- vochtig warm, drukkend, benauwd
“Hij las een boek op een zwoele zomeravond.”
“„Het was een bewolkte, zwoele namiddag; de matrozen hingen lui op het dek rond of staarden wezenloos over het loodkleurige water. Queequeg en ik waren rustig een zogenaamde zwaardmat aan het weven als”
- zinnelijk, erotisch, sensueel
“Eén zwoele blik was genoeg voor hem.”
Vormenzwoeler(uninflected, comparative) · zwoelst(uninflected, superlative) · zwoele(inflected, positive) · zwoelere(inflected, comparative) · zwoelste(inflected, superlative) · zwoels(partitive, positive) · zwoelers(partitive, comparative)