/aˈkyt/
OriginLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘plotseling opkomend (van ziekte)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1832
- plots ontstaan, op korte termijn verlopend, meestal ook spoedeisend ingrijpen vereisend
“Gelukkig werd de man met een acute blindedarmontsteking snel geholpen, want hij verging van de pijn.”
“Irad knikte alleen en veinsde een meewarig gezicht. Voor hem was iedereen die hier kwam, en wat hem betrof de hele wereld, een grove leugenaar of op zijn minst louche. De bar was voor veel mensen het ”
“Van gebroken benen vanwege kapotte tegels tot acute voedselvergiftiging omdat het keukenpersoneel stelselmatig eten opwarmde.”
- direct
“Je moet acuut deze brief posten, want anders kun je ontslagen worden.”
Formsacuter(uninflected, comparative) · acuutst(uninflected, superlative) · acute(inflected, positive) · acutere(inflected, comparative) · acuutste(inflected, superlative) · acuuts(partitive, positive) · acuters(partitive, comparative)
Source: Wiktionary — CC BY-SA 4.0