krɪŋ
OriginVoor het eerst aangetroffen in de betekenis van “ronde omgang of ring of omheining of singel, d.i. cirkel” in 1477.
- patroon in de vorm van een cirkel
“Kinderen, ga maar in een kring staan!”
“Toen de Baas van de Mollen vertrokken was keek Nemo de kring aanvoerders rond.”
“Er zal een kring ontstaan waar de steen het water geraakt heeft, en die kring zal ogenblikkelijk uitdijen tot nog een kring, en nog een.”
- groep personen die met elkaar omgaan omdat ze bepaalde belangen of opvattingen delen
“Dat is in deze kringen niet gebruikelijk.”
“Het bijzondere aan alleen reizen is dat je nieuwe mensen ontmoet. Thuis verkeerde ik meestal in mijn vertrouwde kringetjes.”
- cirkelvormige vlek op een tafelblad, vaak doordat daar een nat glas heeft gestaan
“Hier, gebruik een bierviltje, anders heb je kringen.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kringen
- form-ofgebiedende wijs van kringen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kringen
Formskringen(plural) · kringetje(diminutive, singular) · kringetjes(diminutive, plural)