OriginNaamwoord van handeling afwassen
- het afwassen, het af te wassene
“Terwijl Dora de afwas doet ziet ze door het raam de houten wolf die al klaar is op de trap zitten.”
“Er zaten altijd gaten in mijn kleren en ik deed de afwas alleen als ik het keukenblok niet meer kon zien.”
- form-of, with-subordinate-clauseeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afwassen
Formsafwassen(plural) · afwasje(diminutive, singular) · afwasjes(diminutive, plural)