ɑlˈme
Originzn: via Frans almée van Arabisch عَالِمَة (ʿālima) "zangeres", oorspronkelijk "vrouw met kennis"
- vrouw in de Arabische wereld die mensen met zang en dans vermaakt, soms met de bijbetekenis dat zij ook voor erotisch vermaak zorgt
“'t Is de boess-boess-mee van Mascara,
Gedanst door een almee
Onder een palm der Sahara.”
- op dezelfde manier, in hetzelfde verband
“Hoezeer Kloeke ook in het Fries thuis is, bewijst ‘Die Aussprache des germ.û im Altwestfriesischen’ (1931), almee een der vele artikelen die hij in de loop der jaren heeft moeten schrijven om zijn sta”
- in dezelfde ontwikkeling, na een geleidelijke verandering duidelijk verschillend met voorheen
“Almee begint de feeststemming los te komen. Zelfs de twee moeders, de twee weduwen neveneen, komen eindelijk wat uit de plooi; (…)”
“Zo werd, almee door de invloed van de talrijke Vlaamse emigranten, die in het laatste kwart der zestiende eeuw naar Zeeland uitweken, het Calvinisme er een macht in kerk en staat, die hier van ongemen”
- obsoletemisschien ook
“⧖ Zoo straks zei ik: de zorg om er kunst van te maken zal almee een van de laatste zorgen zijn die hij zich maakt. Nu zou ik willen zeggen: het zal hem in 't geheel geen zorg zijn; ook dit zal er zijn”
Formsalmeeën(plural)