ˈɑndər
Herkomsterfwoord via Middelnederlands ander van Oudnederlands andar, als telwoord in de betekenis van ‘de tweede, niet dezelfde’ aangetroffen vanaf 701
- diegene die je niet zelf bent
“Dat laat ik aan anderen over.”
- diegene die niet eerder genoemd is
“Sommigen gingen wat eten en anderen zaten zwijgend voor zich uit te staren.”
- niet deze
“De broek heeft een andere kleur dan deze trui.”
“Weer anderen verpieterden op een paar vierkante meter, terend op een bijstandsuitkering waarmee (althans gedeeltelijk) een of ander aftands bouwsel in een godvergeten oord werd onderhouden.”
“De Indian Express noemt een ander voorbeeld, van een vrouwelijke coach die de regionale BJP-minister van Sport in Haryana, voormalig hockeykampioen Sandeep Singh, eind vorig jaar beschuldigde van seks”
- een of ander: het maakt niet uit
“Geef mij maar een of ander koekje het maakt mij allemaal niets uit.”
- het een en ander: dit en wat anders
“We kregen het een en ander te horen van de baas, maar lang niet alles.”
Vormenanderen(plural)