/ˈɑpəɫ/, /ˈɑ.pəɫ/, /ˈɑ.pəl/
Origináppel: erfwoord, in de betekenis van ‘vrucht’ aangetroffen vanaf 1146
- Malus ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom (in het bijzonder van de soort Malus domestica).
“Snoep gezond, eet een appel!”
“De groene velden hadden de tinten van peterselie, limoen en appel aangenomen. Wilde bloemen: spetters rood en paars, kanariegele bloemblaadjes die bewogen in de bries.”
“Toen ik de volgende ochtend om 4 uur wakker werd, stond de stille jongen al op het punt te vertrekken en gaf me een appel.”
- Malus boom die deze vruchten draagt, appelboom.
“Ik heb veel appelen staan in mijn tuin.”
- tijdstip waarop alle leden van een groep bijeengeroepen worden om hun aanwezigheid te bewijzen.
“'s Morgens om zes uur moesten alle soldaten op appel verschijnen.”
- het doen van een beroep op iemands gevoel van eer of rechtvaardigheid
“De appellant richtte een appel aan de gouverneur om de executie uit te stellen.”
- hoger beroep
- : de reactie of gehoorzaamheid van de vogel
Formsappels(singular) · appelen(singular) · appeltje(diminutive) · appeltjes(diminutive, singular)